Ze dacht in de storm
Hoe zij waren als magneten en
Niet door de lucht dwarrelden
Als blaadjes
Hoe klein mensen waren
Vast geplakt op deze aarde
Deze aarde
Die hun alles bood:
Liefde, voedsel, tijd en ruimte,
Ziekte, honger en de dood

Je ziet haar

naakt

hoe mooi en glad

dit lichaam is

onschuldig

Je ziet haar

naakt net

nu ze douchen

gaat

en je bewondert

haar in al haar

bewegingen

waarin zij zichzelf

nadert

En de dood

kwam dichterbij

we keken toe

hoe hij over het

water naderde

Zijn bootje kliefde

de golfjes in twee

Wie kwam hij vanavond

halen

wie ging er vandaag

met hem mee

De zon was verdwenen

we wachtten af

en in de miezer

zat een waterhoentje

op haar nest

we zoenden niet

die ochtend

terwijl de lucht

frisser werd

de eerste bode

van het najaar

 

doe de rolluiken

maar omhoog en

laat de warmte binnen

 

waarom liet ik je

zomaar gaan

ik was afgeleid

zei ik

 

en boven de huizen

vloog een vlinder

een koolwitje

er kon nog van

alles gebeuren

Je ging met je kinderen
Naar een tentoonstelling
Het waren piemels en vagina’s
Je maakte een foto
Dus wij konden zien
Hoe die piemels daar
Keurig op een rijtje hingen
Dat zie je niet vaak.
En ik dacht aan die grap
Met de winterpeen
En hoe hij zich
Op zijn pik getrapt voelde.

een amerikaanse russin

sliep op de slaapbank vannacht

de heer uit tenerife

had al met een fles wodka

op haar gewacht

maar tevergeefs

ze wilde enkel slapen

een kop koffie

als ontbijt

en daarna verdwijnen